Inleiding

 

De Inleiding bestaat uit de volgende onderdelen
1. Brieven en Correspondenten rond 1900
2. Voorgeschiedenis: 1982-1995
3. Voorgeschiedenis: 2008-2016

 


1. Brieven en Correspondenten rond 1900


Context editie

De voorbereidingen voor deze editie begonnen in 2008 met een digitale pilot-uitgave van een beperkt aantal brieven1 en mijn Oratie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.2 Hierin verkende ik de mogelijkheden van digitale bronnenuitgaven. Wat zou de technologie kunnen toevoegen aan de traditionele manieren om edities te produceren, te publiceren en te benutten? In de jaren daarna kon ik, denkend vanuit de eigenschappen van het digitale medium en in samenwerking met anderen, de inhoud en inrichting van de editie concreet vormgeven. Inhoudelijke overwegingen en onderzoeksmogelijkheden voor potentiële gebruikers waren hierbij leidend. Hier volgt een korte beschrijving van het resultaat van dit proces: de editie Brieven en Correspondenten rond 1900. In het hoofdstuk ‘Voorgeschiedenis: 2008-2016’ komen de keuzes aan de orde die gaandeweg zijn gemaakt, met de consequenties voor de theorie en praktijk van de editiewetenschap.

Voor de inhoud van de editie was de historische context het uitgangspunt. In de decennia rond 1900 maakte de westerse wereld een periode van vernieuwing door. Deze was zo ingrijpend dat historici achteraf spraken van een breukvlak in de geschiedenis en van het ontstaan van het moderne Nederland. Wetenschappelijke innovaties, artistieke stromingen, maatschappelijke en politieke ontwikkelingen volgden elkaar razendsnel op. De ontwikkelingen in de afzonderlijke culturele, intellectuele en maatschappelijke domeinen maakten, hoe verschillend onderling ook, deel uit van een brede vernieuwingsbeweging. Cruciaal voor de verspreiding van (of juist het verzet tegen) de nieuwe denkbeelden waren domeinoverschrijdende gedachtewisselingen en discussies. Veelgebruikte kanalen hiervoor waren destijds het briefverkeer, de periodieken en het verenigingsleven.

Inhoud en doelgroep editie

Brieven en Correspondenten rond 1900 bevat de correspondenties van twee sleutelfiguren uit het culturele domein: de letterkundige Albert Verwey (1865-1937) en de beeldend kunstenaar Willem Witsen (1860-1923). Het onderdeel ‘Brieven’ bevat 5.512 brieven van 439 correspondenten.3 Vijftig van hen correspondeerden met beiden, 290 alleen met Verwey en 99 alleen met Witsen.4 De brieven zijn ontsloten via transcripties, gestandaardiseerde metadata en digitale kleurenafbeeldingen van de originelen.

Het onderdeel ‘Brieven’  is verrijkt met contextuele informatie. Hiertoe is een database ingericht met biografische profielen van alle briefschrijvers. Deze database, ‘Correspondenten’, verschaft, naast de gebruikelijke gegevens, informatie over hun professionele en maatschappelijke activiteiten: de domeinen waarin zij werkzaam waren, de periodieken waarin zij publiceerden en de verenigingen waarvan zij lid waren.

De combinatie van ‘Brieven’ en ‘Correspondenten’ maakt analytisch en interpretatief onderzoek mogelijk naar de inhoud van de brieven en de aard en reikwijdte van de brievennetwerken van Verwey en/of Witsen. Het zijn twee gelijkwaardige componenten, raadpleegbaar binnen één webomgeving: vanuit het onderdeel ‘Brieven’ zijn persoonsgegevens op te vragen en vanuit het onderdeel ‘Correspondenten’ de brieven.

De informatie in de database laat zien dat de briefschrijvers zich als groep – en velen van hen ook individueel – manifesteerden in meerdere, ook niet-culturele, domeinen. Het totaaloverzicht van de periodieken is omvangrijk en divers, evenals de lijst van hun lidmaatschappen. In hun briefwisselingen met Verwey en Witsen vindt men de neerslag van de ideeën, opvattingen en discussies van (leden van) de groep. Brieven en Correspondenten rond 1900  is aldus een rijke bron voor interdisciplinair onderzoek naar een cruciaal tijdperk, bepalend voor ontwikkelingen in de 20ste eeuw. Zij is ingericht als een onderzoeksinstrument, bestemd voor onderzoekers, docenten en studenten in de Geesteswetenschappen.

Onderzoeksinstrument

Brieven en Correspondenten rond 1900 bevat naast een full-text zoekmogelijkheid ook een faceted search optie.5  Met de faceted search kunnen gebruikers, al naar gelang hun onderzoeksvragen, eigen selecties maken uit het omvangrijke bronnenmateriaal. Het aantal mogelijkheden is legio. Men kan zich beperken tot één facet, bij voorbeeld ‘Periode’, en zo het brievencorpus in de tijd afbakenen. Men kan ook facets combineren, bij voorbeeld één uit het onderdeel ‘Correspondenten’ en één uit het onderdeel ‘Brieven’. Wil een onderzoeker bij voorbeeld een bepaald circuit bestuderen, dan kan hij of zij eerst de correspondenten met publicaties in een bepaald tijdschrift en/of lidmaatschappen van een bepaalde vereniging selecteren en vervolgens hun brieven oproepen. Combinaties van meerdere facets  binnen één onderdeel zijn ook mogelijk. Met facets in het onderdeel ‘Correspondenten’ kan men bij voorbeeld de samenstelling  en kenmerken van bepaalde subgroepen bestuderen èn de veranderingen die zich daar in de loop van de tijd mogelijk in hebben voorgedaan. Dit zijn slechts een paar voorbeelden van gerichte zoekacties. Het omgekeerde is ook mogelijk: de facets kunnen, in verschillende combinaties, onderzoekers ook nieuwsgierig maken en inspireren tot nieuw onderzoek.6

Opgravingen

In de aanloop naar de publicatie van Brieven en Correspondenten rond 1900 verscheen van half februari tot eind november 2016 de blog Opgravingen. In twintig blogposts werden alvast enkele schatten uit de editie aan het licht gebracht.

De afleveringen van Opgravingen zijn qua onderwerp zeer gevarieerd, maar tezamen geven ze in hun verscheidenheid een indruk van de focus, de inhoud en de gebruiksmogelijkheden van de editie. Thema’s als vernieuwing, het verzet daartegen en de wisselwerking binnen en tussen de verschillende culturele, intellectuele en maatschappelijke domeinen werden geïllustreerd aan de hand van concrete voorbeelden, soms zelfs binnen één blogpost. Ook de zoek- en selectiemogelijkheden van de uitgave kwamen aan bod, evenals methodologische aspecten van dit editietype.

De blog is integraal opgenomen in de editie en is bereikbaar via de knop ‘Ga naar Opgravingen‘ op de homepage.

 

2. Voorgeschiedenis: 1982-1995

Rond 1980 kwam een beweging op gang die een al langer bestaande wens van onderzoekers zou moeten realiseren: een uitgave van de correspondentie van Albert Verwey.7 Gerlof Verwey, zoon en literair executeur testamentair van Albert Verwey, nam contact op met Ernst Braches. Deze was destijds bibliothecaris van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam (UBA), waar de schriftelijke nalatenschap van Verwey berustte. Samen met Margaretha Schenkeveld (destijds hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde aan de Vrije Universiteit/VU Amsterdam) en haar toenmalige assistent en latere opvolger Dick van Halsema maakten zij een eerste opzet voor het beoogde Albert Verwey-Brievenproject.

Er werd een projectgroep-Verwey ingesteld, bestaande uit Carel Blotkamp (destijds VU Amsterdam), Van Halsema, Harry Prick (destijds Letterkundig Museum, Den Haag) en mevrouw Schenkeveld. De  Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek (voorloper van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek/NWO) verleende subsidie voor de eerste fase van het Albert Verwey-Brievenproject (1982-1985): het  ‘Project Repertorium brieven Albert Verwey’. Uitvoerders waren Lieneke Frerichs, Frank Ligtvoet en Marijke Stapert-Eggen. Doel van het Repertorium-project was het opsporen en inventariseren van de brieven van Albert Verwey.

De brieven aan Verwey (ca. 20.000) waren vrijwel volledig aanwezig in het Verwey-archief van de UBA. Uitgaande van de diverse catalogi in het Verwey-archief en het brievenbestand zelf maakten de drie onderzoekers een lijst van correspondenten. Vervolgens gingen zij na wat er met de schriftelijke nalatenschappen van de briefschrijvers was gebeurd. Uiteindelijk konden zij ca. 10.000 brieven van Verwey achterhalen, in origineel, concept of afschrift.  Het Repertorium is destijds niet gepubliceerd, maar gegevens eruit zijn, na verdere verwerking door de UBA, opgenomen in de Online Publieks Catalogus van deze instelling.8

De tweede fase van het Albert Verwey-Brievenproject (1987-1989) had ten doel het ontwerpen van een model voor een  integrale editie van de correspondentie, op basis waarvan zowel een computereditie als een leeseditie in boekvorm gemaakt zou kunnen worden. Het ‘Project kritische editie met annotatie van de correspondentie van Albert Verwey’ ontving subsidie van NWO en werd uitgevoerd door Mariet Boelhouwer, René Stumpel en Rein van der Wiel. Object van het pilot-project was Verweys briefwisseling in de periode dat hij redacteur was van De Nieuwe Gids. Het resultaat was een ‘corpus afgeschreven brieven op flop’.9 Op basis hiervan publiceerden Margaretha Schenkeveld en Rein van der Wiel in 1995 Verweys Briefwisseling 1 juli 1885 tot 15 december 1888.10 Deze uitgave bevat meer dan achthonderd brieven, gewisseld tussen Verwey en ruim honderd correspondenten en geeft achtergrondinformatie in de vorm van annotaties bij afzonderlijke brieven en een register met biografische gegevens.

In de tweede fase van het Albert Verwey-Brievenproject had men, aldus Stapert-Eggen (1992), de computer uitsluitend gebruikt als hulpmiddel voor het editeren in de klassieke boekvorm. In een volgende fase wilde zij komen tot een ‘computereditie’, die ‘het boek zelf’ zou zijn. In haar artikel gaf zij aan de hand van twee brieven een ‘concept-voorbeeld’ van wat haar voor ogen stond. Haar streven was om dit uit te werken tot een model voor een computereditie en een eerste resultaat ervan: ‘een gedigitaliseerde editie en een leeseditie’ van een aantal brieven.11 Deze doelen werden echter niet gerealiseerd. Het Albert Verwey-Brievenproject werd hierna niet voortgezet.

3. Voorgeschiedenis: 2008-2016

In 2007 vroeg Gerlof Verwey – kleinzoon van Albert Verwey en tevens voorzitter van de Coornhert Stichting12 – het Huygens Instituut de mogelijkheden te onderzoeken voor een uitgave van de correspondentie van Albert Verwey, te publiceren op het internet. In 2008 verscheen het onderzoeksrapport, met daarin de volgende resultaten:

  • Taxatie van de voor een integrale uitgave benodigde menskracht, tijd en financiën op basis van een steekproef (1882-1888);
  • Een digitale bloemlezing van brieven uit de periode 1882-1888, om inzicht te geven in de voorgestelde wijze van ontsluiting.

Het onderzoek werd opgezet en begeleid door Annemarie Kets en uitgevoerd door Caroline van Rooij. Medewerking werd verleend door Jos Biemans (Universiteitsbibliotheek van Amsterdam) en Klaas van der Hoek (Bijzondere Collecties Universiteit van Amsterdam).13

In mijn Oratie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, in 2008, verkende ik, met de Verweycorrespondentie als casus, de mogelijkheden van digitale bronnenuitgaven.14 Mijn uitgangspunt was dat de context waarin de editiewetenschap functioneert ingrijpende veranderingen doormaakte. Paradigmaveranderingen in het literair-historisch onderzoek stelden andere eisen aan de inhoud van edities, technologische ontwikkelingen maakten het mogelijk om oude bronnen op nieuwe manieren te ontsluiten.

Een jaar later, in 2009, ging het project Correspondentie Albert Verwey 1880-1895 van start. Het zou, achteraf bezien, de kiem blijken te zijn van de editie Brieven en Correspondenten rond 1900 (2016).Dat het uiteindelijke resultaat afwijkt van (en aanzienlijk meer biedt dan) de oorspronkelijke opzet is mede te danken aan de voortschrijdende technologie. Er kwamen nieuwe mogelijkheden voor de productie, de publicatie en het benutten van edities. Hieruit zijn keuzes gemaakt, op grond van inhoudelijke overwegingen, zoals de historische context, en onderzoeksmogelijkheden voor de beoogde academische doelgroep. De gemaakte keuzes worden hieronder toegelicht, met hun consequenties voor de theorie en de praktijk van de editiewetenschap.

Het editeren van de Verweybrieven vond plaats in de online werkomgeving  eLaborate, ontwikkeld door het Huygens ING.15 In dit programma kunnen scans van de originelen worden geüpload en teksten worden getranscribeerd en geannoteerd. Meerdere personen kunnen zo vanaf hun eigen PC op elk gewenst moment werken aan een gezamenlijk product. In de loop der jaren hebben studenten (in werkcolleges en/of als stagiair) en geschoolde vrijwilligers een belangrijke bijdrage geleverd aan de voortgang van de onderhavige editie. Ze maakten afschriften van brieven en controleerden elkaars werk. Ook voorzagen ze de door hen bewerkte documenten van gestandaardiseerde metadata. Collectiebeherende instellingen maakten deze manier van werken mogelijk door vele duizenden scans om niet ter beschikking te stellen.

Deze manier van werken, met als doel een wetenschappelijk verantwoorde bronnenuitgave, stelde hoge eisen aan de kwaliteitsbewaking. Voor de editiepraktijk betekende dit dat ik – vóórdat het project van start kon gaan – technische handleidingen heb opgesteld voor het werken in een collaboratory en ook gedetailleerde richtlijnen voor het uploaden van scans en het transcriberen en metadateren van de brieven. Er was geregeld werkoverleg met alle betrokkenen over de voorlopige resultaten en ten slotte heb ik alle niet zelf vervaardigde transcripties en metadata gecontroleerd aan de hand van de scans.

Een deel van Verweys correspondentie uit de periode 1880-1895 was al eerder uitgegeven, in drie gedrukte edities.16 De techniek maakte het mogelijk om de transcripties in deze uitgaven (na digitalisering door de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren/DBNL)  te combineren met de born-digital transcripties in eLaborate. Enerzijds leverde deze aanpak een behoorlijke tijdswinst op, anderzijds kostte het veel tijd om de gedigitaliseerde transcripties op dezelfde wijze te presenteren als de born-digital transcripties. De geïmporteerde brieven moesten alsnog voorzien worden van afbeeldingen van de originelen. Tijdrovend, maar absoluut noodzakelijk om van de samenstellende delen één doorzoekbaar en bevraagbaar geheel te maken, was het aanbrengen van vergelijkbare en uniforme metadata bij de afzonderlijke brieven. Dit bracht met zich mee dat ontbrekende gegevens zoveel mogelijk moesten worden aangevuld en dat de wel aanwezige gegevens geüniformeerd moesten worden.

Op basis van deze ervaringen kon een al langer bestaande wens van onderzoekers worden gerealiseerd, namelijk het combineren van verschillende correspondenties tot een digitaal domein. Literatuurhistorici stelden, gevraagd naar hun wensen voor brievenedities, in 1996 al voor om ‘alle getraceerde correspondentie uit een beperkte periode uit te geven’, ook al beseften zij dat dat (toen nog) op ‘praktische bezwaren’ zou stuiten.17 En Van de Schoor (2008) was van mening dat verschillende vormen van literair-historisch onderzoek zeer gebaat zouden zijn bij  ‘een doorzoekbare, digitale brieveneditie waarin verschillende (parallelle) correspondenties zijn opgenomen’.18 Op inhoudelijke gronden is besloten om het onderzoeksterrein van deze editie niet te beperken tot de literatuurgeschiedenis, maar te verbreden tot de beeldende kunst. Hiertoe is de Volledige briefwisseling van Willem Witsen samengevoegd met Verweys correspondentie.19 Toekomstige uitbreidingen met correspondenties, ook uit niet-culturele domeinen, zijn in principe mogelijk en zouden interdisciplinair onderzoek naar de decennia rond 1900 krachtig kunnen bevorderen.

Traditionele brievenedities bevatten in het algemeen toelichtingen bij de briefteksten in de vorm van annotaties. Voor de in 1996 ondervraagde literatuurhistorici bleek dat echter geen prioriteit te zijn. Zij bleken de voorkeur te geven aan ‘omvangrijke, verantwoord geëditeerde, maar niet-geannoteerde tekstcorpora’.20 De factor tijd speelde hierbij een rol. Men ging ervan uit dat dergelijke uitgaven snel beschikbaar zouden komen, terwijl ‘een ideale [bedoeld was: geannoteerde, AK] editie van één enkele correspondentie […] lange tijd op zich laat wachten’. Waarschijnlijk speelde ook mee dat zij veelal over een ruime achtergrondkennis beschikten of deze zo nodig wisten aan te vullen. Tegenwoordig geldt het laatste, dankzij het internet, natuurlijk des te meer. Voor deze editie, in het bijzonder bedoeld voor het academisch onderzoek en onderwijs, is dan ook voor een andere vorm van verrijking gekozen.21

De verrijking in deze editie staat niet ten dienste van het tekstbegrip van afzonderlijke brieven, maar is er een zelfstandig onderdeel van, waarin de correspondenten centraal staan. Velen van hen speelden – evenals Verwey en Witsen – een vooraanstaande rol in de decennia rond 1900. Sindsdien zijn zij opgenomen in handboeken, encyclopedieën en Wikipedia. Anderen zijn nooit algemeen bekend geworden of zijn in de loop van de tijd vergeten geraakt. Maar dat wil niet zeggen dat zij niet ook een rol hebben gespeeld in de toenmalige discussies en ontwikkelingen. Meer dan eens namelijk wekken brieven van obscure correspondenten de indruk dat zij wel degelijk op de een of andere wijze betrokken waren bij de vernieuwingen van hun tijd. Kennis van hun achtergronden kan daar meer inzicht in geven. En dat maakt nader onderzoek mogelijk naar de inhoud en de aard en reikwijdte van de brievennetwerken van Verwey en Witsen. Daarom is de editie van de brieven verrijkt met een tweede component: een database met gegevens over de professionele en maatschappelijke activiteiten van alle briefschrijvers. Per correspondent is vastgelegd in welk domein of welke domeinen zij werkzaam waren, in welke periodieken zij publiceerden en van welke verenigingen zij lid waren.

De intentie om contextuele informatie toe te voegen aan het geheel betekende dat de biografische profielen van de correspondenten zo ingericht moesten worden dat ze in hun totaliteit  doorzoekbaar en bevraagbaar zouden zijn. Hiertoe is vooraf, vanuit de inhoudelijke context van de editie, een aantal velden gedefinieerd. En gaandeweg is, op basis van de resultaten van het inventariserend bronnenonderzoek, een classificatiesysteem ontwikkeld en een uniforme terminologie voor de in te voeren gegevens. Voor de invoer van de gegevens is gebruik gemaakt van ING Forms, een applicatie voor gestructureerde gegevensopslag, ontwikkeld door het Huygens ING. Geschoolde vrijwilligers hebben ook aan dit onderdeel van de editie een belangrijke bijdrage geleverd. De kwaliteitsbewaking bestond ook ditmaal uit het opstellen van technische en inhoudelijke handleidingen, geregelde werkbijeenkomsten en de eindcontrole door de verantwoordelijk editeur.

De database, getiteld ‘Correspondenten’, is gelijkwaardig aan het onderdeel ‘Brieven’. Beide componenten zijn te raadplegen binnen één webomgeving: vanuit het onderdeel ‘Brieven’ zijn persoonsgegevens op te vragen en vanuit het onderdeel ‘Correspondenten’ de brieven. Voor het benutten van het omvangrijke bronnenmateriaal in beide componenten bood de technologie een oplossing in de vorm van faceted search.22 Gebruikers kunnen hiermee, al naar gelang hun onderzoeksvragen, eigen selecties maken uit het brievencorpus en/of de biografische profielen.

Door de in de loop der jaren gemaakte keuzes deed de oorspronkelijk titel van het project – Correspondentie Albert Verwey 1880-1895 – geen recht meer aan de inhoud van de uitgave. Deze is daarom omgedoopt tot Brieven en Correspondenten rond 1900.23

———————————————————————————————————————————————

1 De pilot-uitgave was onderdeel van een onderzoek naar de mogelijkheden van een uitgave van de correspondentie van Albert Verwey, te publiceren op het internet (Van Rooij en Kets 2008).
2 Kets 2008. Meer over ontwikkelingen in het editeren van correspondenties in Kets 2013.
3 De editie bevat een deel van de correspondentie van Verwey en alle bewaard gebleven brieven van en aan Witsen.
4 Bij deze berekeningen zijn de anonieme correspondenten als één persoon gerekend.
5 Zie hiervoor Gebruiksaanwijzingen.
6 Zie voor publicaties op basis van de inhoud en de zoek- en selectiemogelijkheden van deze editie: Kets 2014, Huijgens 2016 en de blog Opgravingen.
7 Informatie over deze beweging en het hieruit voortgekomen Albert Verwey-Brievenproject is ontleend aan Frerichs 1984, Stapert-Eggen 1991, Stapert-Eggen 1992, Verwey 1994, Verwey 1995 en aan mondelinge informatie van Jos Biemans (Universiteitsbibliotheek van Amsterdam), Klaas van der Hoek (Bijzondere Collecties Universiteit van Amsterdam/UvA) en Margaretha Schenkeveld (destijds Vrije Universiteit Amsterdam).
8 Mededeling van Klaas van der Hoek, Bijzondere Collecties UvA. De Online Publieks Catalogus is toegankelijk via de website van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam.
9 Stapert-Eggen 1992, 54.
10 Verwey 1995. De periode van deze editie wijkt enigszins af van de voor de pilot afgebakende periode (1 oktober 1885-1 december 1888).
11 Stapert-Eggen 1992, 54-68.
12 Voorheen Kitty van Vloten Stichting.
13 De uitkomsten van het onderzoek  zijn beschreven in Van Rooij en Kets 2008. De digitale bloemlezing is, met een account, ter beschikking gesteld aan de opdrachtgever.
14 Kets 2008.
15 Zie hier voor informatie over eLaborate.
16 Het betreft Van Deyssel en Verwey 1981-1986, Verwey 1995 en Kloos en Verwey 2008. Meer hierover in Samenstelling brievencorpus.
17 Maas en De Man 1996, 13.
18 Van de Schoor 2008, 225-226.
19 Deze editie was eerder online  gepubliceerd op de website van de DBNL (Witsen 2007).
20 Maas en De Man 1996, 13-14.
21 Als gevolg hiervan zijn de annotaties uit de gedigitaliseerde Verwey-edities niet overgenomen. De Witsen-editie bevatte geen annotaties.
22 Zie hiervoor Gebruiksaanwijzingen.
23 Zie de blogpost ‘Verrijken en delen’ van Peter Boot in mijn blog Opgravingen voor de internationale context van dit editietype.